CRvB 27 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4079
Herziening nabestaandenuitkering. Uitspraak 1: Naar het oordeel van de Raad had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat het door de Svb, bij de berekening van de hoogte van haar uitkering ingevolge de ANW, gehanteerde inkomen, niet (meer) overeenstemde met de werkelijkheid en dat tengevolge hiervan haar uitkering door de Svb tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Uitspraken 2 en 3: De Raad kan zich echter niet verenigen met de conclusie van de rechtbank, dat de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering, in de hier aan de orde zijnde perioden, niet daadwerkelijk ingrijpend is geweest in het dagelijks leven van belanghebbende. De Raad acht daarbij van belang dat voor de gehele, door de drie bestreden besluiten bestreken, periode geldt dat, ook naar het oordeel van de Svb, appellante geen enkel verwijt treft ter zake van de aan haar ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag betaalde uitkering. Verder is gesteld noch gebleken dat de ingrijpendheid van de herzieningen en de daarmee gepaard gaande terugvorderingen in het dagelijks leven van appellante in de loop van deze periode gewijzigd is. In die omstandigheden ligt een kunstmatige scheiding, waarbij voor één tijdvak wel en voor twee tijdvakken niet wordt aangenomen dat de herziening annex terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is geweest in het dagelijks leven van appellante, niet voor de hand. De Svb heeft ook anderszins geen argumenten aangedragen, die het gemaakte onderscheid rechtvaardigen. Vernietiging uitspraken 2 en 3. Nieuwe besluiten op bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl