CRvB 3 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2913

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer LJN ZB8069 en BF6694) rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geen sprake is. Naar het oordeel van de Raad geldt deze vooronderstelling eveneens bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Dit is slechts anders indien het eigen werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de juistheid van deze vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellante geen sprake. Weliswaar is zij bij haar oude werkgever ontslagen per 26 september 2006, maar de Raad is niet gebleken dat soortgelijke werkzaamheden niet elders beschikbaar zijn. 3.2. De Raad is gelet op het overwogene bij 3.1 tot het oordeel gekomen dat appellante geschikt is te achten voor haar eigen werk dat is omschreven in de door het Uwv overgelegde stukken. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag en is tevens totstandgekomen op een wijze die de toetsing aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen kan doorstaan. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. 3.3. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer LJN ZB8069 en BF6694) rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geen sprake is. Naar het oordeel van de Raad geldt deze vooronderstelling eveneens bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Dit is slechts anders indien het eigen werk niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de juistheid van deze vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellante geen sprake. Weliswaar is zij bij haar oude werkgever ontslagen per 26 september 2006, maar de Raad is niet gebleken dat soortgelijke werkzaamheden niet elders beschikbaar zijn. 3.4. Het Uwv heeft aldus bezien dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 januari 2007 bepaald op minder dan 35%. Het subsidiair door het Uwv ingenomen standpunt dat appellante eveneens geschikt is voor de op basis van het CBBS geselecteerde functies behoeft dan ook geen bespreking. 3.5. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding aan het verzoek van appellante te voldoen om haar alsnog in de gelegenheid te stellen nadere medische informatie in te brengen. In dit verband merkt de Raad op dat uit de rapportage van de neuroloog R.D. Verweij van 7 september 2006 blijkt dat deze na onderzoek van appellante geen neurologische ziekte heeft gevonden. Bij appellante was destijds sprake van een chronische lumbago bij degeneratieve afwijkingen, zoals die ook reeds in 2003 was geconstateerd. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben met deze gegevens afdoende rekening gehouden. Met de vermelde verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na 25 januari 2007 kan de Raad in dit geding geen rekening houden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum hier in geding. Er zijn evenwel onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in het geval van appellante sprake is van een dergelijke situatie. 4. Naar het oordeel van de Raad komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, namelijk voorzover het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht voorts geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen