CRvB 28 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2847

Bij besluit van 23 april 2007 heeft de korpsbeheerder appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in het belang van de dienst met ingang van 3 mei 2007 overgeplaatst. Ingevolge artikel 64 van het Barp, voor zover hier van belang, is de politieambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht een andere functie dan die waarin hij is aangesteld te aanvaarden, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking. In verband daarmee kan de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard zijn, al naar gelang het accent valt op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op het dienstbelang gelegen in de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te laten vervullen. In beide gevallen moet worden voldaan aan de eis, dat de nieuwe betrekking passend is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de korpsbeheerder in de opstelling van appellant op 16 november 2006 een bijzonder geval mocht zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst tewerkstelling van appellant op een andere plaats vorderde, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant over te plaatsen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan het gegeven dat de uitbarsting in het tweede gesprek in wijdere kring hoorbaar is geweest. Vervolgens staat de Raad voor de vraag, of de korpsbeheerder appellant daadwerkelijk in een andere passende betrekking heeft geplaatst. Kennelijk is de korpsbeheerder bij zijn besluitvorming niet nagegaan of een brede invulling van de nieuwe functie van appellant te verwezenlijken was zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en dus wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten. De aan-gevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. De korpsbeheerder zal met inacht-neming van hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen