CRvB 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2089

Intrekking en terugvordering bijstand. Betrokkene had in de periode van 17 december 2001 tot 14 oktober 2006 aanspraak op haar erfdeel uit de nalatenschap van haar moeder en had vanaf 14 oktober 2006 aanspraak op haar erfdeel uit de nalatenschap van haar vader. Betrokkene had feitelijk op 20 februari 2007 de beschikking over een bedrag van € 162.528,11 uit de nalatenschap van haar vader, zodat vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat over de periode van 17 december 2001 tot 14 oktober 2006 de middelen waarover betrokkene naderhand met betrekking tot die periode kon beschikken niet meer kunnen bedragen dan de omvang van de aanspraak van betrokkene op haar erfdeel uit de nalatenschap van haar moeder. Of het College over deze periode tot terugvordering over kan gaan en zo ja, tot welk bedrag, wordt bepaald door de beantwoording van de vraag of en zo ja, in hoeverre dat erfdeel, tezamen met de op 17 december 2001 aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatinggrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt.

De uitspraak op rechtspraak.nl