CRvB 20 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1684

Afwijzing verzoek om een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten in verband met de voorgenomen verhuizing van hun eengezinswoning naar een flatwoning met lift. Daarbij is aangegeven dat appellante bloedvatvernauwing en een broekprothese in de benen heeft, dat zij de trap niet meer op komt en dat zij van de specialist een verdiepingswoning moet zoeken met lift. Appellant heeft geen rechtstreeks belang bij ten aanzien van zijn echtgenote genomen besluiten ingevolge de Wmo, nu een uit de huwelijksrelatie voortvloeiend belang van appellant een van het belang van zijn echtgenote afgeleid belang vormt. Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard. De wetgever heeft de doelgroep van de maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in de Wmo, uitdrukkelijk ruimer omschreven dan het begrip gehandicapte in de zin van de Wvg. De Raad is, gelet op alle zich in het dossier bevindende medische gegevens, van oordeel dat bij appellante sprake is van een beperking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdelen 5 en 6, van de Wmo. De bevindingen van de behandelend specialist en die van de adviseur van het College verschillen immers niet in de vaststelling dat appellante vermoeid is na traplopen en dat het traplopen pijnklachten van de benen geeft en tevens dat geen verbetering te verwachten valt, maar dat het steeds moeizamer zal gaan. Dat het voor appellante raadzaam is om in beweging te blijven doet hieraan niet af, nu dit niet door middel van traplopen hoeft plaats te vinden. Uit de beschikbare medische gegevens leidt de Raad af dat appellante is aangewezen op een woning waarin en waarbij zij niet wordt geconfronteerd met traplopen. Vernietiging besluit. De Raad voorziet zelf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen