CRvB 8 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9362
Er is geen aanleiding om te komen tot het oordeel dat bij het naar billijkheid vaststellen van de door appellant geleden immateriële schade een hoger bedrag aan schadevergoeding is aangewezen dan door de rechtbank is toegewezen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank, met name dat de schade die appellant lijdt als gevolg van zijn (reeds langer bestaande) schizotypische persoonlijkheidsstoornis niet kan worden aangemerkt als gevolg van het onrechtmatig handelen van het Uwv, maar enkel de (enerzijds op zichzelf ernstige, anderzijds tijdelijke) psychotische episode in 2003. De rechtbank heeft terecht het Uwv niet veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente per 9 april 2002 over het bedrag ter vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Gelijk de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 21 juni 2005, LJN AT9093, is de vordering van vertragingsschade opeisbaar vanaf het moment dat het onrechtmatige besluit schade tot gevolg heeft. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geen oordeel gegeven over een eerder (niet) door het Uwv genomen zuiver schadebesluit, maar een beslissing gegeven op het door appellant bij haar ingediende verzoek om vergoeding van die schade. Heropening ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl