CRvB 26 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5697
Toekenning verzoek om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en aan toekenning ingaande 1 november 2007 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een voorziening in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV) toegekend, op grond van psychische invaliditeit. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de Raad mee dat, gegeven de organisatorische keuzes die door verweerster zijn gemaakt, voor personen die later zijn aangeschreven en daardoor later hebben aangevraagd, bij toekenning van aanspraken op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet een terugwerkende kracht tot 1 september 2005 toegepast had moeten worden. Dit zou, gezien de systematiek van de Wet, alleen anders kunnen zijn indien de voorhanden zijnde medische gegevens evident duidelijk uitwijzen dat op 1 september 2005 van enige causale invaliditeit nog geen sprake was. Die situatie doet zich in het geval van appellante niet voor. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel moet worden vernietigd. In het voorliggende geval kan die ongelijkheid alleen maar worden weggenomen door toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet. De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien.
De uitspraak op rechtspraak.nl