CRvB 25 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4527
Herziening WAO-uitkering (15 tot 25%). De Raad is van oordeel waarin in het kader van de behandeling van een bezwaarschrift nieuwe functies schriftelijk worden aangezegd aan de gemachtigde van de betrokken verzekerde, als regel dient te gelden dat die schriftelijke aanzegging gelijk te stellen is aan de schriftelijke aanzegging aan de betrokken verzekerde zelf. Voorts komt naar het oordeel van de Raad betekenis toe aan de door de keuze voor vertegenwoordiging ontstane relatie tussen vertegenwoordigde en vertegenwoordiger. Het handelen (en nalaten) van de vertegenwoordiger wordt in beginsel aan de vertegenwoordigde toegerekend. Dit brengt mee dat van de gemachtigde mag worden verwacht dat deze de van belang zijnde stukken aan de vertegenwoordigde doorzendt, dan wel de inhoud daarvan aan de vertegenwoordigde meedeelt. In het wettelijke kader en de keuze voor vertegenwoordiging, ziet de Raad de grondslag voor het oordeel dat met de in het voorliggende geval aan de gemachtigde van appellante gestuurde schriftelijke aanzegging van 7 september 2006 is voldaan aan het vereiste van aanzegging aan de betrokkene. Op dit punt slaagt het hoger beroep van appellante derhalve niet. De stelling van appellante, dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar psychische klachten – twee tot drie angstaanvallen per week – en haar vermoeidheidsklachten, acht de Raad niet genoegzaam aannemelijk gemaakt. In bezwaar heeft appellante, ter onderbouwing van deze, toen reeds ingenomen, stelling, een verklaring overgelegd van haar behandelend psycholoog drs. A.J.K. Visser van 16 mei 2006. Deze verklaring is door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, blijkens diens rapportage van 18 augustus 2006, meegewogen, maar heeft deze arts niet gebracht tot een andere inschatting van de beperkingen voor arbeid van appellante. Door appellante zijn nadien geen nadere medische gegevens meer ingebracht. Gelet op het geheel van beschikbare medische gegevens ziet ook de Raad geen grond om aan te nemen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante per 26 november 2006 heeft onderschat. Ook het betoog van appellante dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht niet voor haar geschikt zijn, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 6 september 2006 ziet de Raad genoegzaam toegelicht dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante, ook wat betreft de specifieke door appellante genoemde aspecten, niet te boven gaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl