CRvB 10 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4243
Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing langdurigheidstoeslag. Schending inlichtingenverplichting. De Raad stelt op grond van de gegevens van de RDW vast dat tien auto’s in de periode van 27 oktober 2003 tot en met 28 december 2005 gedurende betrekkelijk korte tijd, doorgaans niet langer dan één maand, op naam van appellant hebben gestaan en dat daarvan vier auto’s na beëindiging van de registratie op naam van appellant onmiddellijk zijn geëxporteerd. Evenals de rechtbank en het College acht de Raad aannemelijk dat appellant de auto’s heeft overgedragen aan derden, al dan niet voor gebruik in het buitenland, en dat het hier gaat om handelsactiviteiten. Voorts gaat de Raad er op grond van zijn vaste rechtspraak van uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. In dit verband stelt de Raad vast dat appellant telkens een auto aan derden heeft overgedragen. In aanmerking genomen dat controleerbare gegevens over de transacties ontbreken, kan het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het College bevoegd was om de bijstand over die maanden met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De Raad stelt vervolgens met de rechtbank vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken. Appellanten hebben tegen het oordeel van de rechtbank over het opleggen van een maatregel en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag voor het jaar 2006, waarbij deze in stand zijn gelaten, geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl