CRvB 15 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3316

Intrekking bijstandsuitkering. Ongegrondverklaring bezwaar op de grond dat appellanten langer dan vier weken in het buitenland hebben verbleven. Niet in geschil is dat appellanten gedurende de beoordelingsperiode langer dan vier weken in het buitenland verblijf hielden in de zin van deze bepaling. Appellanten hebben - onder overlegging van medische verklaringen met betrekking tot het tijdvak van 20 juli 2006 tot 18 augustus 2006 - gesteld dat dit het gevolg was van een plotseling opgekomen ziekte van appellant, die als enige van het gezin de auto kon besturen maar niet tot de terugrit naar Nederland in staat was. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de reden van het (langduriger) verblijf buiten Nederland echter op zichzelf niet van belang. Hetgeen naar voren is gekomen omtrent de gezondheidssituatie van appellant rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake was van zeer dringende redenen in de hiervóór bedoelde zin. Ook anderszins bieden de stellingen van appellanten daarvoor geen aanknopingspunten. Het College was dus bevoegd tot intrekking. Niet kan worden geoordeeld dat het College bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen