CRvB 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2503
Beëindiging vervoersvoorziening in de vorm van een driewielfiets. Naar het oordeel van de Raad moet het er bij ontbreken van duidelijke gegevens voor het tegendeel voor worden gehouden dat het besluit van 10 juli 2006 voorziet in toekenning van de driewielfiets voor onbepaalde tijd. Dat het College daarbij heeft overwogen dat de medische situatie van appellante binnen 6 maanden zal worden onderzocht, doet daaraan niet af, omdat de bevindingen van dat onderzoek ook kunnen leiden tot beëindiging van een voor onbepaalde tijd verstrekte voorziening. Op grond van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo blijven de rechten en verplichtingen met betrekking tot het op grond van de Wvg genomen besluit van 10 juli 2006, die golden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2007), gelden gedurende de looptijd van dit besluit tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van de Wmo (te weten 1 januari 2008). De Raad leidt daaruit af dat een vóór 1 januari 2008 genomen besluit tot beëindiging van een op grond van de Wvg toegekende voorziening moet worden beoordeeld op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader. Dat het College ambtshalve gebruik maakt van de - zowel in het bepaalde op grond van de Wmo als de Wvg besloten liggende - bevoegdheid tot beëindiging van een voorziening in verband met het optreden van een relevante wijziging in de situatie van degene aan wie een voorziening is toegekend, heeft geen gevolg voor het in dit geval toe te passen beoordelingskader. Gelet op de stellingen van partijen spitst het geschil zich in hoger beroep toe op de vraag of het College op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor het vervoer in haar directe woonomgeving aangewezen was op een driewielfiets. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat de rapporten van het CIZ, die het College aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot beëindiging ten grondslag heeft gelegd, onzorgvuldig zijn voorbereid of dat de daarin getrokken conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen. Ook op basis van de in beroep en hoger beroep namens appellante overgelegde verklaringen van haar huisarts ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat voor haar pijnklachten en haar angst om met een gewone fiets te vallen een naar objectieve maatstaf gemeten medische grondslag bestaat. De Raad is van oordeel dat voor de beoordeling van de beëindiging van de voorziening op basis van het aan de Wvg te ontlenen toetsingskader geen betekenis kan worden toegekend aan de verklaring van de huisarts van appellante van 20 juli 2009. In deze verklaring geeft de huisarts aan dat appellante in 2009 is verwezen naar een revalidatiearts om te onderzoeken waarom het fietsen op een tweewieler niet lukt. Het fietsen op een tweewieler is niet gelukt vanwege een scala aan factoren. Appellante heeft onder meer symptomen die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft veel last van angsten en het fietsen lukt haar niet uit angst weer te zullen vallen en letsel op te lopen. De Raad ziet hierin onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, niet in staat is om zich te verplaatsen door middel van een tweewieler. Dit betekent dat het College de in het besluit van 11 oktober 2007 neergelegde handhaving van zijn besluit om de voorziening in de vorm van de driewielfiets te beëindigen materieel juist is.
De uitspraak op rechtspraak.nl