CRvB 9 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1529
Weigering WAO-uitkering toe te kennen op de grond dat niet is gebleken dat appellant gedurende een verzekerde periode arbeidsongeschikt is geworden. Anders dan het Uwv heeft aangegeven in het bestreden besluit had een medische beoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven, nu de medische situatie op en na de hiervoor bedoelde - vooralsnog onzekere – datum niet expliciet is beoordeeld. Hieruit volgt dat het bestreden besluit reeds wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. In het kader van het door het Uwv opnieuw te nemen besluit op bezwaar wijst de Raad er op dat naar vaste rechtspraak van de Raad bij een late aanvraag het feit dat de medische situatie van betrokkene niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt. Anders dan appellant, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, heeft gesteld ziet de Raad in de gegeven omstandigheden geen aanleiding de ziekmelding in 1994 tevens op te vatten als een aanvraag tot het toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft zich op 19 juli 1994 ziekgemeld bij de CNSS, waarbij door hem een formulier MN 111 is overgelegd. Appellant is daarop door de CNSS in controle genomen en is in 1994 en 1995 vrijwel maandelijks medisch gecontroleerd. Bij besluit van 13 november 1995 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 19 juli 1994 een uitkering krachtens de ZW toe te kennen. Dit besluit is rechtens onaantastbaar. Ook de controlebezoeken bij de CNSS nadien hebben niet geleid tot het toekennen van een ZW-uitkering. Indien ziekengeld is geweigerd is er geen aanleiding de ziekmelding tevens aan te merken als een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook voor zover is betoogd dat appellant in 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd kan de Raad appellant daarin niet volgen. Op basis van de beschikbare gegevens dient naar het oordeel van de Raad de brief van appellant van 3 februari 2003 derhalve als een eerste aanvraag om een uitkering op grond van de WAO te worden gekwalificeerd. Als bijlage bij deze brief heeft appellant een medische verklaring van 30 oktober 2002 gevoegd, waarin door de psychiater J. Chiboub is aangegeven dat appellant lijdt aan stoornissen van de gemoedstoestand van het type recidiverende depressieve episoden, somatisatiestoornis met vele klachten en gegeneraliseerde angststoornissen. Nu er vanuit moet worden gegaan dat appellant met zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ruim acht jaar heeft gewacht komt het voor zijn rekening en risico indien zijn medische situatie op en na 18 augustus 1994 niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld. Daarbij merkt de Raad op dat appellant per 19 juli 1994 hersteld is verklaard en dat de door hem overgelegde medische informatie niet ziet op de datum in geding.
De uitspraak op rechtspraak.nl