CRvB 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1167

Betrokkene leefde op basis van een samenlevingscontract samen met de uitkeringsgerechtigde, die tot zijn overlijden een WAO-uitkering ontving. Toekenning overlijdensuitkering, met verrekening van ten onrechte doorbetaalde WAO-uitkering, waardoor van betrokkene nog een bedrag van € 824,76 wordt teruggevorderd. Betrokkene geen erfgenaam is van de uitkeringsgerechtigde. Reeds daarom kan van verrekening als bedoeld in de zin van artikel 6:127 BW geen sprake zijn. Artikel 53, zevende lid, van de WAO schrijft dwingend voor dat met de overlijdensuitkering de na het overlijden teveel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering verminderd moet worden. Het zevende lid van dat artikel geeft geen voorbehoud met betrekking tot de vermindering in de situatie dat het recht op een overlijdensuitkering en de vordering niet in hetzelfde vermogen vallen. Naar het oordeel van de Raad dient daaruit te volgen dat appellant terecht uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 53, zevende lid, van de WAO. Vermindering op grond van artikel 53, zevende lid, van de WAO kan niet verder gaan dan het beloop van de overlijdensuitkering. Immers, waar het gaat om een vermindering van het bedrag van de overlijdensuitkering met het bedrag aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald, is deze vermindering begrensd door het bedrag van de overlijdensuitkering, zijnde een uitkering over één maand. Een dan nog resterende terugvordering van arbeidsongeschiktheidsuitkering zal gericht moeten zijn aan de erfgenamen aan wie deze ten onrechte betaalde uitkering is toegevallen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen