CRvB 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0974

Intrekking WAO-uitkering. Afwijzing hernieuwde aanvraag WAO-uitkering.Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de voorhanden gegevens, waarin niet met objectieve medische informatie is onderbouwd dat betrokkene vanaf de periode februari/maart 2001 meer beperkt is dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven, geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het Uwv niet op de medische rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft mogen afgaan. Naar het oordeel van de Raad kan daaruit weliswaar worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts heeft bevestigd dat in genoemde periode een tijdelijke toename van klachten kan worden geobjectiveerd, maar niet dat er sprake was van toegenomen beperkingen. Naar aanleiding van de grief van betrokkene dat het verzekeringsgeneeskundig protocol “angststoornissen” ten onrechte niet is toegepast,overweegt de Raad dat, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2008, nr. 232) van dit protocol eerst met ingang van 1 oktober 2007 gebruik wordt gemaakt. Dit protocol was derhalve ten tijde in geding nog niet van toepassing, zodat een beroep daarop betrokkene niet kan baten. Wat betreft het door appellant aangegeven ontstaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode eind 2003/begin 2004 overweegt de Raad dat deze periode is gelegen buiten de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO, die in dit geval is aangevangen op 1 januari 1998, zodat om die reden geen toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering mogelijk is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen