CRvB 24 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9356
1) Ontheffing van de opleiding tot specialist VLOO. 2) Ontslag uit de militaire dienst. Nu appellant van de opleiding VLOO was ontheven moet worden vastgesteld dat de commandant bevoegd was hem met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR te ontslaan. De Raad staat voor de vraag of gezegd moet worden dat de commandant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat appellant onstabiel gedrag vertoonde. Niet ten onrechte leidde dit bij de commandant tot gebrek aan vertrouwen in de opleidbaarheid van appellant voor een functie bij de Koninklijke luchtmacht. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de commandant had moeten onderzoeken of bepaalde gedragingen van appellant een medische oorzaak hadden, overweegt de Raad dat appellant een aantal malen een onderhoud heeft gehad met een arts/psychotherapeut van de Koninklijke luchtmacht. Met inachtneming van het rapport van deze arts van 29 juni 2006 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat appellant begin mei 2006 niet meer arbeidsongeschikt was. In deze en overige gedingstukken zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het gedrag van appellant mogelijk werd bepaald door ziekte. Appellant heeft zelf ook geen enkel medisch gegeven overgelegd dat daarop wijst. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet is staande te houden dat de commandant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het ontslag van appellant heeft kunnen besluiten. Ook voor dit deel slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl