CRvB 2 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9306
Intrekking van de toeslag is vanaf 1 januari 2006 ongedaan gemaakt. De te weinig ontvangen toelage is daarbij verrekend met het totaal van appellants kortlopende schuld. Met betrekking tot het door appellant gestelde omtrent de beslagvrije voet van de artikelen 475b en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de rechtbank overwogen dat, nog daargelaten dat geen sprake is van beslag, artikel 13, derde lid, van het Bsf 2000 en artikel 6.1 van Rsf 2000 dwingendrechtelijk van aard zijn. Aan hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd, ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat de IB-Groep in gevallen als dat van appellant een keuzemogelijkheid heeft. Deze opvatting deelt de Raad niet. Naar zijn oordeel brengen de artikelen 13, derde lid, van het Bsf 2000 en 6.1 van de Rsf 2000 - kort gezegd - met zich een gehoudenheid van de IB-Groep om eerst tot verrekening over te gaan en pas tot uitbetaling over te gaan indien er geen te verrekenen bedragen meer resteren. In het licht hiervan kan al hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd niet slagen. De Raad voegt hier nog aan toe dat de omstandigheid dat appellant in de maanden augustus 2007 tot en met oktober 2007 feitelijk niet heeft beschikt over de toeslag, het gevolg is geweest van de omstandigheid dat hij niet heeft gereageerd op de brief van 26 juni 2007.
De uitspraak op rechtspraak.nl