CRvB 30 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9016

Intrekking WAO-uitkering op de grond dat appellant sinds 1 mei 2000 gedetineerd was. Weigering om de WAO-uitkering van appellant te heropenen op de gronden dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en appellants situatie van TBS-er met dwangverpleging onveranderd is gebleven. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 29 januari 2001. Geen sprake van i nvrijheidsstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 47b van de WAO . Aangezien zich ook geen uitzonderingsituatie voordoet als bedoeld in artikel 47b, vierde lid, van de WAO heeft het Uwv terecht heeft geweigerd over te gaan tot heropening van de WAO-uitkering. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van besluiten waartegen in rechte niet is opgekomen. In meergenoemde uitspraak van 18 juni 2004 heeft de Raad geoordeeld dat de wetgever heeft kunnen besluiten dat de opname op grond van de Wet Bopz en de opname in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr meer gelijkenis vertonen met een reguliere ziekenhuisopname dan met detentie en dat TBS en de hieraan voorafgaande detentie in aansluiting op een gevangenisstraf meer gelijkenis vertoont met de situatie van detentie. Vervolgens was de Raad van oordeel dat de keuze van de wetgever, verblijf in een TBS-inrichting en de hieraan voorafgaande voorlopige hechtenis wel, en de Bopz-opname en de opname op grond van artikel 37, eerste lid, van het Sr niet onder de werking van de Wsg te brengen, in het algemeen de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Op grond van het voorgaande kan de longstay-status in een TBS-inrichting daarin geen verandering brengen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen