CRvB 16 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8414
Herziening WAO-uitkering. Tussen partijen is niet in geschil dat het Protocol bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van toepassing was. Op grond van artikel 2 en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten van 31 januari 2006, Stcrt. 2006, 33, hierna: Regeling, maakt de verzekeringsarts met ingang van 6 maart 2006 bij de beoordeling van myocardinfarct als hulpmiddel gebruik van het Protocol. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid bij het bestreden besluit met ingang van 14 januari 2007 wordt herzien is ook de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts als hulpmiddel bij de beoordeling van de hartklachten van appellante gebruik diende te maken van de in het Protocol neergelegde wetenschappelijke inzichten.Zoals de Raad in zijn uitspraak van 16 september 2009 , LJN BJ7873, heeft overwogen betekent dit niet dat de (bezwaar-) verzekeringsarts alle in het Protocol genoemde aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden had moeten behandelen en bespreken in zijn rapportage. Dat de in de Regeling opgenomen verzekeringsgeneeskundige protocollen als hulpmiddel moeten worden aangemerkt, betekent niet dat aan die protocollen geen betekenis zou kunnen toekomen bij de beoordeling van een besluit als hier aan de orde. De vraag welke betekenis daarbij in een concreet geval toekomt aan een protocol, zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval en de aard en inhoud van het voorschrift van het protocol waarop belanghebbende zich beroept. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld in lijn met het Protocol en daarbij de medisch-specialistische informatie, waaronder het schrijven van 22 september 2006 van de cardioloog dr. F.F. Willems, kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante per de datum in geding, 14 januari 2007, in twijfel te trekken. Derhalve ziet de Raad ook geen aanleiding voor een nader onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige. De gemachtigde van het Uwv heeft de Raad ter zitting verzocht met toepassing van artikel 8:72, aanhef en lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 14 januari 2007 te herzien naar de klasse van 55 tot 65%. De Raad heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de drie resterende functies qua belasting de belastbaarheid van appellante overschrijden. Het onder 4.1 tot en met 4.9 overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt. Nu tevens vaststaat dat appellante op 14 januari 2007 ingedeeld moet worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%, zal de Raad zelf voorzien in de zaak als hierna onder III aangegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl