CRvB 1 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7969
Ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft beoordeeld of het College terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant in staat is arbeid te verrichten gedurende 20 uur per week en hem de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichtingen heeft opgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank hiermee niet de juiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd. Immers, zoals de Raad al meermalen heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2008, LJN BG7978), vloeit uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voort dat de daarin opgenomen verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Uitzondering daarop kan slechts worden gemaakt door met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB een tijdelijke ontheffing van die verplichtingen te verlenen wanneer in een individueel geval dringende redenen daartoe aanleiding geven. Voornoemd uitgangspunt, gevoegd bij de inhoud van het besluit van 1 november 2007, waarbij de gedeeltelijke ontheffing, neergelegd in het besluit van 10 februari 2006, is gehandhaafd, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat in dit geschil uitsluitend aan de orde kan zijn of het College terecht heeft aangenomen dat er geen dringende redenen zijn om appellant tijdelijk volledig te ontheffen van de hier aan de orde zijnde verplichtingen. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zal de Raad de zaak zelf afdoen. De Raad ziet niet in dat, zoals appellant heeft gesteld, het tweede medisch onderzoek door een andere verzekeringsarts had moeten worden uitgevoerd. Anders dan appellant heeft betoogd valt ook uit de door hem in beroep overgelegde stukken niet af te leiden dat hij volledig arbeidsongeschikt te achten is of dat elk realistisch perspectief op arbeidsinschakeling ontbreekt. Het is voor de Raad geenszins komen vast te staan dat appellant niet tot het deelnemen aan een dergelijk traject in staat is.
De uitspraak op rechtspraak.nl