CRvB 8 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7824
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Oplegging maatregel. Schending inlichtingenverplichting. De Raad stelt op grond van de gegevens van de RDW vast dat elf auto’s in de periode van 25 juli 2003 tot en met 20 december 2005 gedurende betrekkelijk korte tijd, doorgaans niet langer dan één maand, op naam van appellant hebben gestaan en dat daarvan zes auto’s na beëindiging van de registratie op naam van appellant onmiddellijk zijn geëxporteerd. Evenals de rechtbank en het College acht de Raad aannemelijk dat appellant de auto’s heeft overgedragen aan derden, al dan niet voor gebruik in het buitenland, en dat het hier gaat om handelsactiviteiten. Voorts gaat de Raad er op grond van zijn vaste rechtspraak van uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat appellant in de genoemde maanden, met uitzondering van oktober één of meer auto’s aan derden heeft overgedragen. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.
De uitspraak op rechtspraak.nl