CRvB 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7419

Bij onderscheiden besluiten op bezwaar van 7 mei 2007 (hierna: bestreden besluiten) heeft de Svb zijn besluiten van 28 november 2006 gehandhaafd, waarbij is bepaald dat appellant schuldig nalatig is de over de jaren 1999 en 2000 verschuldigde premie krachtens de AOW te betalen. Daarbij is aangegeven dat is gebleken dat er geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan het niet betalen van de aanslagen appellant niet kan worden aangerekend. Appellant heeft aangegeven dat het faillissement het gevolg is van een tegenvallende omzet van zijn zalmrokerij, hetgeen volgens de Svb tot het normale ondernemersrisico behoort. Overigens is het faillissement - dat is uitgesproken op 10 oktober 2000 - op 18 december 2001 opgeheven bij gebrek aan baten zodat de schulden herleven en weer opeisbaar zijn geworden. De Raad stelt vast dat uit de door de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat de aanslagen over 1999 en 2000 ambtshalve zijn vastgesteld en dat appellant de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet heeft betaald. Zoals de Raad reeds vele malen in het kader van artikel 18, derde lid, onder a, van de Wfv heeft overwogen betekent dit dat reeds hieruit volgt dat appellant over deze jaren schuldig nalatig is. Deze jurisprudentie wordt in het kader van artikel 61, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wfsv gehandhaafd. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd kan hieraan niet afdoen. Indien appellant van oordeel is dat de curator in gebreke is gebleven zijn werkzaamheden op een juiste wijze te verrichten had het op zijn weg gelegen daartegen actie te ondernemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen