CRvB 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7147
De verlenging van de aflosfase vloeit, voor zover het de draagkrachtmeting betreft die is gevraagd vóór 1 september 2000, voor appellante rechtstreeks – en dus zonder dat daarvoor nadere besluitvorming nodig is – voort uit het bepaalde in artikel 47, tweede lid, van de WSF. Voor zover het de verzoeken vanaf 1 september 2000 betreft, vloeit de verlenging rechtstreeks voort uit (het gelijkluidende) artikel 6.15, tweede lid, van de Wsf 2000. De IB-Groep mocht het verzoek om terug te komen van de besluiten van 8 september 1997 en 7 december 1998, die, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen voor juist moeten worden gehouden, afwijzen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een andere beslissing. De bekendmaking van de verlenging van de aflosfase in de besluiten met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2003 kan, gelet op het voorgaande, ook stand houden. Dat de aflosfase is verlengd vanwege de draagkrachtmeting voor de jaren 2002 en 2003, waarin appellante en haar partner niet meer bij elkaar woonden en waarin zij enige maanden in een echtscheidingsprocedure waren verwikkeld, heeft te maken met het feit dat voor deze jaren, gelet op het wettelijk systeem, niet het inkomen in die jaren, maar het inkomen in de peiljaren 2000 en 2001 van belang is.
De uitspraak op rechtspraak.nl