CRvB 25 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3302

Reorganisatie. Geen voldoende mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft. De voorzieningenrechter ziet geen grond om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen. De grief van verzoeker dat de rechtbank de door betrokkene in beroep overgelegde stukken buiten beschouwing had moeten laten slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 18 februari 2004, LJN AO5861 en RSV 2004/202), staat het partijen vrij hun stellingen met betrekking tot de juistheid van de feiten waarvan bij het nemen van een beslissing dient te worden uitgegaan, tijdens de behandeling van het beroep, of hoger beroep, nader te staven met bewijsmiddelen. De voorzieningenrechter kan in het licht van de gedingstukken slechts concluderen dat de stellingname van verzoeker, dat de in geding zijnde functie niet passend is, onvoldoende overtuigend is gemotiveerd, waar die stellingname uitsluitend steunt op de indruk die betrokkene tijdens het selectiegesprek en de hoorzitting van de bezwarencommissie heeft gemaakt. De voorzieningenrechter heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat namens betrokkene onweersproken is gesteld dat de in geding zijnde functie inhoudelijk niet wezenlijk verschilt van de voorheen door betrokkene vervulde functie van medior medewerker helpdesk, en dat in die functie haar verstaanbaarheid geen probleem vormde. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 24 mei 2006, LJN AX8152 en TAR 2006, 150) mocht in de gegeven situatie, mede gelet op artikel 96, tweede lid, van het ARAR, eventuele twijfel over de geschiktheid niet ten nadele van betrokkene strekken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen