CRvB 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0901

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Uit de rechtspraak van de Raad, waarvoor gewezen wordt op de uitspraak van 31 maart 2005, LJN AT3922, kan worden afgeleid dat niet is voldaan aan het in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde voorschrift dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten, indien het beroepschrift geen enkele duidelijkheid verschaft omtrent hetgeen partijen verdeeld houdt. De Raad is van oordeel dat in het licht van de gegevens niet gezegd kan worden dat het niet duidelijk was wat partijen - nog steeds - verdeeld hield. Nu bij de beslissing op bezwaar niet is aangegeven waarom de in bezwaar aangevoerde gronden niet kunnen slagen, kan ter motivering van het beroep worden verwezen naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Dit geldt te meer nu het College het van appellante terug te vorderen bedrag op andere dan de in bezwaar genoemde gronden heeft gematigd. Voorts merkt de Raad nog op dat de rechtbank bij brief van 24 januari 2008 uitdrukkelijk de mogelijkheid van verwijzing naar de in bezwaar aangevoerde gronden heeft aangegeven. De enkele aanduiding dat eventueel van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, maakt naar het oordeel van de Raad onvoldoende duidelijk dat appellante - in de visie van de rechtbank - niet met verwijzing naar de in bezwaar aangevoerde gronden kon volstaan. De Raad is daarom van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellante geen beroepsgronden heeft aangevoerd. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante niet in stand kan blijven, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terugwijzen naar de rechtbank.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen