CRvB 19 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9740
Afwijzing verzoek om de berekening van het toetsingsinkomen in de zin van artikel 2.24 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) te baseren op zijn inkomen in 2005 in plaats van op zijn inkomen in het peiljaar 2004. Uit de jurisprudentie, van de Raad zoals neergelegd in onder andere de uitspraak van 29 maart 2002, LJN AE3761, vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschommelingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen. Naar het oordeel van de Raad heeft de IB-Groep zich in het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inkomensdaling tot de normale risico’s behoort bij de door appellant gekozen wijze van inkomensverwerving. Ten aanzien van appellants beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, van de WTOS heeft de rechtbank geoordeeld dat zich geen situatie voordoet die de IB-Groep ertoe had moeten brengen om de wet met toepassing van deze bepaling buiten toepassing te laten. De Raad onderschrijft deze overwegingen en maakt deze tot de zijne
De uitspraak op rechtspraak.nl