CRvB 19 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9730

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAZ is, voor zover hier van belang, bepaald dat de toekenning van een uitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden aan een verzekerde, die een wachttijd heeft doorgemaakt en aan het einde daarvan ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als die verzekerde binnen vijf jaar na het einde van die eerder doorgemaakte wachttijd arbeidsongeschikt wordt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en hij een wachttijd van vier weken heeft doorlopen. In zijn rechtspraak over artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), dat eveneens bij de zogeheten wet Amber in de WAO is opgenomen en dat een soortgelijke bepaling bevat in verband met herziening van uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft de Raad overwogen dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil artikel 39a van de WAO niet van toepassing zijn. In zijn uitspraak van 15 april 2008 (LJN BD1409) heeft de Raad geen aanleiding gevonden bij de uitleg van artikel 20 van de WAZ daarover anders te oordelen. Uit de in deze rechtspraak van de Raad met betrekking tot de uitleg van de in - onder meer - artikel 20 van de WAZ vervatte causaliteitseis, volgt dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. Diegene dient derhalve nadere gegevens in de hiervoor aangegeven zin aan te dragen, welke buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen