CRvB 17 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9454

1) Beëindiging WAO-uitkering. 2) Oplegging maatregel in de vorm van een korting op het uitkeringspercentage van 10% over acht weken. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op grond van artikel 23 van de WAO bevoegd was appellant te doen onderzoeken door een verzekeringsarts en dat het Uwv, nadat appellant op 10 januari 2008 geen gevolg had gegeven aan de oproep op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen, op grond van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO bevoegd was appellant een maatregel op te leggen. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in het geval van appellant geen sprake was van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid in de zin van artikel 29, eerste lid, van de WAO, en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daaromtrent. De rechtbank heeft overwogen dat bij het niet verschijnen op het spreekuur een maatregel van 10% voor een periode van acht weken met ingang van de datum van de overtreding past. Het besluit van 28 januari 2008 heeft de rechtbank vernietigd omdat zij de opgelegde maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering buitenproportioneel achtte en onvoldoende afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid van appellant. Nu het Uwv met het bestreden besluit niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, ziet de Raad aanleiding het beroep met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht te achten tegen het bestreden besluit. De Raad staat thans nog voor de beantwoording van de vraag of de door het Uwv met ingang van 10 januari 2008 opgelegde maatregel in rechte kan stand houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen