CRvB 3 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8575

Afwijzing verzoek om heropening WAZ-uitkering i.v.m. beïndiging toegang tot de verzekering voor de WAZ. De Raad stelt vast dat appellante op 1 augustus 2004 de wachttijd van 52 weken doormaakte en derhalve verzekerd was voor de WAZ op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet. Gelet op onderdeel c. van dit artikel zoals dat sedert 1 augustus 2004 luidt, liep de verzekering door zolang appellante een WAZ-uitkering ontving. Op het moment dat deze uitkering werd ingetrokken, 21 juni 2005, eindigde de verzekering. Dit betekent dat appellante bij een toename van beperkingen na die datum geen beroep meer kon doen op de WAZ. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de wetgever naar blijkt uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel I, onderdeel C van de Wet einde toegang verzekering WAZ (TK 2003-2004, 29 497, nr. 3, p. 10) uitdrukkelijk aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de personen die vallen onder artikel 3, eerste lid, van de WAZ bij een nieuwe arbeidsongeschiktheid weer terug kunnen vallen in de WAZ. Op pagina 20 van de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2003-2004, 29 497, nr. 7) geeft de regering aan dat er geen noodzaak is om artikel 20 te laten voortbestaan, met dien verstande dat bij nota van wijziging wel geregeld zal worden dat degene, die op het moment van inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel geen recht op een WAZ-uitkering heeft, omdat op hem de wachttijd van 4 weken van artikel 20, eerste lid, van toepassing is, na afloop van die wachttijd wel aanspraak heeft op toepassing van artikel 20. Vast staat dat op appellante op 1 augustus 2004 niet de wachttijd als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de WAZ van toepassing was. Appellante was niet meer verzekerd voor de WAZ. Zij kon dan ook niet meer in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge die wet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen