CRvB 8 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2258
Kortig op WW-uitkering (maatregel). Appellant heeft zijn vroegpensioen niet opgenomen en heeft daarmee volgens het Uwv de WW-fondsen benadeeld. De Raad is op grond van het aan de Raad ter hand gestelde van toepassing zijnde pensioenreglement van oordeel dat het vroegpensioen waar appellant gebruik van kon maken, op grond van dat reglement, en onder toepassing van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling Gelijkstelling, moet worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Indien appellant inkomsten zou hebben gehad uit dit vroegpensioen, zouden deze derhalve op de uitkering in mindering moeten worden gebracht. De stellingen van appellant, onder meer die met betrekking tot het overheidsbeleid en mogelijke problemen in verband met de werking van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, treffen dan ook geen doel. Het Uwv heeft onterecht de maatregel opgelegd. Appellant geen benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW gepleegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl