CRvB 5 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0962
Verlaging AOW-pensioen zonder enige overgangsregeling, in verband met inwerkingtreding Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). De inbreuk op een bestaand AOW-uitkeringsrecht, heeft bij wet heeft plaatsgevonden. Deze inbreuk heeft in het algemeen belang plaatsgevonden. De doelstelling om te komen tot een effectieve controle op de rechtmatigheid van in het buitenland verstrekte ouderdomspensioenen is legitiem. Zolang geen handhavingsverdrag in werking is getreden worden fraude gevoelige onderdelen van de AOW niet verstrekt. Dit middel wordt door de Raad passend geacht, evenals bij de AKW en de TW. Bovendien gaat het om een verlaging en niet om een beëindiging van het AOW-pensioen. Proportionaliteit. Art. 5, lid 1, ILO-conventie 118 (betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid) dient te worden gekwalificeerd als een ieder verbindende verdragsbepaling in de zin van artikel 94 van de Grondwet, zodat artikel 9a, eerste lid, van de AOW voor een geval als het onderhavige tot 1 januari 2006 geen toepassing kan vinden. Nu de Nederlandse wetgever heeft verzuimd de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met ILO-conventie 118, kan dit er niet toe leiden dat de verlaging van het AOW-pensioen zonder compensatie mogelijk is. Vernietiging besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl