CRvB 13 mei 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845
Onjuiste interingsberekening. Bij wijze van afkoopsom ineens ontvangen ouderdomspensioen dient in aanmerking te worden genomen naar de periode waarop zij geacht wordt betrekking te hebben. Afwijzing aanvraag om aanvullende bijstand. Appellante heeft recht op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Ook is haar een ouderdomspensioen toegekend van f 303,24 bruto per jaar, welk pensioen zij ontvangt in de vorm van een bedrag ineens van netto f 3.278,01. Na ontvangst van dit bedrag heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend om aanvullende bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante door middel van afkoop van haar pensioen beschikt over voldoende inkomen voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en pas aanspraak kan maken op een uitkering na een periode van 15 maanden. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de door appellante bij wijze van afkoopsom ontvangen middelen naar hun aard overeenkomen met inkomsten in verband met arbeid en voorts betrekking hebben op de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zodat sprake is van inkomen als bedoeld in art. 47.1 onder a en b Abw. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel komt in dit verband naar voren dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, waarop de bijstand slechts hoeft aan te vullen en dat ook eenmalig ontvangen inkomens die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante de afkoopsom geheel moet interen alvorens voor aanvullende bijstand in aanmerking te komen, en heeft daartoe berekend gedurende welke periode appellante het verschil tussen de voor haar geldende bijstandsnorm en haar AOW-pensioen zou kunnen suppleren uit de door haar ontvangen afkoopsom. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde met deze interingsberekening, waarbij de theoretische aanspraak op aanvullende bijstand als uitgangspunt wordt genomen bij de toerekening van het ouderdomspensioen, miskend dat sprake is van inkomsten welke ingevolge art. 47.1 Abw in aanmerking worden genomen naar de periode waarop zij geacht moeten worden betrekking te hebben. Dit betekent dat bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, tot welk bedrag het door appellante ineens ontvangen ouderdomspensioen bij de beoordeling van de aanspraken op aanvullende bijstand in aanmerking moeten worden genomen, moet worden vastgesteld voor welke periode dit pensioen geacht moet worden bestemd te zijn. De Raad acht het redelijk om bij die vaststelling uit te gaan van de gemiddelde levensverwachting van de groep personen van 65 jaar, waartoe appellante bij de aanvang van haar aanspraak op pensioen behoorde. Deze levensverwachting kan blijkens de overlevingstafels 1998 van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor vrouwen van 65 jaar op ongeveer 19 jaar worden gesteld. Hoger beroep gegrond. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde. mrs. G.A.J. van der Hurk, N.J. van Vulpen-Grootjans; A.W.M.Bijloos
De uitspraak op rechtspraak.nl