CRvB 25 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF6288
Aanbieding overbruggingsuitkering in de vorm van een lening naar aanleiding van verschuiving betaaldatum bijstandsuitkering is in strijd met de wet. Besluit om de te verstrekken bijstandsuitkeringen niet langer op de 25e dag van de lopende maand maar op de 15e dag van de daarop volgende maand te gaan betalen, waarbij aan de uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid is geboden gebruik te maken van een overbruggingsuitkering in de vorm van een geldlening. De Raad is van oordeel dat de in art. 73.1 Abw vervatte verplichting van de gemeente om de algemene bijstand maandelijks achteraf uit te betalen aldus moet worden verstaan, dat de gemeente verplicht is de aan een belanghebbende over een bepaalde maand toekomende algemene bijstand uit te betalen op een van de dagen van de daaropvolgende maand. De gemeente kende een hiervan afwijkend betalingsritme, waarbij de bijstand over een bepaalde maand op de 25e van die maand werd uitbetaald. Naar het oordeel van de Raad was gedaagde dan ook gehouden de datum van betaling van de bijstandsuitkeringen aan te passen aan het in art. 73 Abw neergelegde voorschrift, en is betaling op de 15e van de volgende maand met dit voorschrift in overeenstemming. Aangezien de bijstandsuitkering een uitkering op minimumniveau is, dient het bijstandsverlenend orgaan de verschuiving van de betaaldatum van die uitkering zo te laten verlopen, dat daarbij voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van uitkeringsgerechtigden en met de gevolgen die deze verschuiving voor hen meebrengt. Daarbij dient zoveel als mogelijk is te worden voorkomen dat de regelmaat in de uitbetaling wordt verstoord. Door het eerst op 15 mei 1998 - 20 dagen na de gebruikelijke betaaldatum - uitbetalen van de uitkering over de maand april is het tot dan gebruikelijke betalingsritme doorbroken. Gedaagde heeft, teneinde de betalingscontinuïteit te garanderen, besloten om aan alle uitkeringsgerechtigden en ook appellanten tegelijk met de verschuiving van de betaaldatum ter overbrugging van de onderbreking in de betaling een uitkering aan te bieden. Deze uitkering heeft met uitzondering van een schenking van ƒ 300,-- de vorm van een renteloze geldlening en kan naar keuze door middel van verrekening in termijnen met de lopende uitkering, met de vakantietoeslag of aan het einde van de uitkeringsperiode worden terugbetaald. Naar het oordeel van de Raad is met deze overbruggingsuitkering, welke op 25 april 1998 is uitbetaald, feitelijk in voldoende mate voorzien in de ontstane leemte in de uitbetaling van de algemene bijstand, maar is gedaagde er daarbij aan voorbijgegaan dat ingevolge art. 19 Abw de bijstand in de vorm van bijstand om niet wordt verleend tenzij in deze wet anders is bepaald. De Raad ziet geen grondslag in de Abw die rechtvaardigt dat de met de overbruggingsuitkering toegekende algemene bijstand in de vorm van een geldlening kon worden verstrekt. Met name kan het ontvangen van de bijstandsuitkering over april 1998 op 15 mei 1998 niet worden aangemerkt als het op korte termijn beschikken over voldoende middelen als bedoeld in art. 24 onder a Abw. De Raad tekent daarbij aan dat hij geen grond ziet om het in dit artikel voorkomende begrip middelen ruimer uit te leggen dan volgt uit het bepaalde in hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw en dat een bijstandsuitkering geen inkomen is in de zin van art. 47 Abw. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde door de besluiten van 19 maart 1998 tot verschuiving van de betaaldatum van de bijstandsuitkeringen van meergenoemde appellanten te handhaven zonder de daaraan gekoppelde overbruggingsuitkering te verlenen in de vorm van een uitkering om niet, in strijd met de wet heeft gehandeld. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde. mrs. G.A.J. van der Hurk, drs. Th.G.M. Simons,. N.J. van Vulpen-Grootjans
De uitspraak op rechtspraak.nl