CRvB 4 maart 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF6191
Geen recht op ZW-uitkering tijdens ouderschapsverlof. Appellante heeft met haar werkgever de afspraak gemaakt dat zij met ingang van 1 september 1999 onbetaald ouderschapsverlof neemt. Zij is met ingang van 13 augustus 1999 arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot 1 september 1999 het loon doorbetaald. Gedaagde heeft ziekengeld geweigerd, omdat per 1 september 1999 het dienstverband van appellante met haar werkgever niet is geëindigd. Zij heeft daarom op grond van art. 29 van de ZW geen recht op ziekengeld. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde nog toegevoegd dat zij evenmin recht heeft op ziekengeld op grond van art. 46 van de ZW. Het bezwaar is bij dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft tot 1 september 1999 loon ontvangen en is daarom tot die datum verzekerd geweest ingevolge de ZW, zij het dat, gelet op art. 29 van de ZW, aan haar over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Vanaf 1 september 1999 heeft zij onbetaald voltijds ouderschapsverlof genoten. Daarom is vanaf 1 september 1999 de fictie van art. 6, tweede lid, van de ZW op haar van toepassing, dat ten tijde van dat verlof geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht. Bij de Wet onbetaald verlof is de uitzondering in onderdeel c vervallen. Geen van de andere uitzonderingen in art. 6, tweede lid, is overigens van toepassing. Appellante kan evenmin vanaf 1 september 1999 ingevolge art. 8 van de ZW als werknemer/verzekerde worden beschouwd. Zij heeft over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld ontvangen en valt niet onder de ingevolge het onderdeel b van art. 8 aangewezen gevallen. De conclusie is daarom dat ten aanzien van appellante vanaf 1 september 1999, conform de strekking van de Wet onbetaald verlof, geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht en geen verzekering meer bestaat. De fictie van art. 6, tweede lid, van de ZW dat geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht, doet evenwel niet af aan het feit dat de privaatrechtelijke dienstbetrekking van appellante met haar werkgever formeel tijdens het onbetaald voltijds verlof is voortgezet en derhalve niet is geëindigd. Daarom is de bepaling van art. 29, tweede lid, onder c, van de ZW niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor art. 46, eerste lid, van de ZW. De Raad concludeert op grond van deze overwegingen dat gedaagde terecht aan appellante per 1 september 1999 ziekengeld heeft geweigerd en bevestigt de aangevallen uitspraak. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut sociale verzekeringen, gedaagde. mrs. Ch. Van Voorst, D.J. van der Vos, Ch.J.G. Olde Kalter
De uitspraak op rechtspraak.nl