CRvB 4 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF5191
Mandatering van de bevoegdheid tot instellen hoger beroep in bijstandszaken aan een gemeenteambtenaar is niet toegestaan. Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 120.2 Abw volgt dat aan het instellen van beroep een besluit van het College zèlf ten grondslag dient te liggen. Mandatering van die bevoegdheid (aan een gemeenteambtenaar) is niet toegestaan. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever dit vereiste heeft gesteld omdat “het belang van de beslissen zaken vereist (…) dat wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor het bestreden besluit verantwoordelijk is”. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor een oordeel van de wetgever dat dit niet evenzeer zou (behoren te) gelden voor andere besluiten tot het instellen van een rechtsmiddel, waaronder hoger beroep. Daarbij is van belang dat art. 120.2 Abw zijn oorsprong vindt in art. 29a.2 (oude) Algemene Bijstandswet, welke bepaling tot stand is gekomen onder het toenmalige stelsel van rechtsbescherming in bijstandszaken waarin tegen het primaire besluit eerst bezwaar kon worden gemaakt, vervolgens administratief beroep kon worden ingesteld bij het desbetreffende College van gedeputeerde staten en ten slotte (ook voor het betrokken College) beroep op de Kroon openstond. De Raad is gebleken dat appellant in strijd met het bepaalde in art. 120.2 Abw zijn bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep heeft gemandateerd aan de directeur. Het voorgaande leidt ertoe dat nu het mandaat in strijd is met de wet de directeur onbevoegd is om namens appellant hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak. Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, appellant. mr. Th.C. van Sloten
De uitspraak op rechtspraak.nl