CRvB 8 januari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF4811

Systematiek van het BWOO staat er niet aan in de weg om de duur van de loonsuppletie los te koppelen van de feitelijke duur van de werkloosheidsuitkering. De Rb. heeft het bestreden besluit, waarbij de einddatum van de aan gedaagde toegekende loonsuppletie is gehandhaafd op 1 maart 1998, vernietigd (url(''Rechtbank. Utrecht, d.d. 21-12-1999'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AA4805) , MS 2000, 58). Zij heeft daartoe overwogen - kort gesteld - dat die einddatum onjuist is, nu appellant daarbij geen rekening heeft gehouden met de verschuiving van de einddatum van de werkloosheidsuitkering ingevolge het BWOO als gevolg van een periode van ziekte. Raad: Reeds de tekst van het eerste lid van art. 38 BWOO, die de zinsnede bevat “gedurende de voor hem op de eerste werkloosheidsdag overeenkomstig art. 24, eerste en tweede lid, (…) vastgestelde uitkeringsduur” duidt erop dat voor de duur van de loonsuppletie maatgevend is de duur van de uitkering zoals die op eerste werkloosheidsdag is vast te stellen. De Raad acht daarbij verder van belang dat het eerste lid van art. 38 van het BWOO verwijst naar een aantal bepalingen betreffende de uitkeringsduur, maar niet naar art. 25, waarin de verschuiving van de einddatum van de uitkering bij herleving van het recht is geregeld. De passage in de Nota van toelichting bij het BWOO in Staatsblad 1994/100 luidende “De eenmaal vastgestelde duur is niet afhankelijk van hernieuwde werkloosheid” is weliswaar summier, maar wijst toch ook in de richting van het oogmerk om na de eerste werkloosheidsdag opkomende omstandigheden die tot verschuiving van de einddatum van de uitkering leiden, voor de duur van de loonsuppletie buiten beschouwing te laten. Naar het oordeel van de Raad staat de systematiek van het BWOO er niet aan in de weg om de duur van de loonsuppletie los te koppelen van de feitelijke duur van de werkloosheidsuitkering, nu art. 38 een op zichzelf staande regeling met eigen voorwaarden en modaliteiten vormt. De Raad kan ook niet inzien dat het doel van de loonsuppletie (het aantrekkelijker maken om een lager betaalde functie te aanvaarden) tot de conclusie zou moeten leiden dat de loonsuppletie onder geen enkele omstandigheid eerder zou kunnen eindigen dan de uitkering zelf, zulks te minder nu het in de rede ligt dat de betrokkene naarmate de werkloosheid langer duurt, minder (financiële) eisen stelt aan arbeid die de werkloosheid kan opheffen of verminderen. Aangevallen uitspraak vernietigd. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant. mrs. M.A. Hoogeveen, Th.M. Schelfhout, H.G. Rottier

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen