CRvB 31 december 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF4812

Tekst van art. 17.1 Wet REA is helder; er is geen ruimte voor enge uitleg. Uitzondering van art. 14.4 Wet REA niet van toepassing. Werknemer P werkte bij werkgever X, doch werd wegens ziekte tot 1 januari 2000 gedetacheerd bij A B.V., nu bij X geen mogelijkheid was tot herplaatsing. Aan X is loonkostensubsidie toegekend. Vanaf 1 januari 2000 is P een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met A B.V. aangegaan. A B.V. heeft een plaatsingsbudget t.b.v. werknemer P aangevraagd, hetwelk is geweigerd. Appellant heeft daarbij overwogen dat t.b.v. P reeds een loonkostensubsidie is verstrekt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Raad: Ten aanzien van het beroep op de strekking van de wet overweegt de Raad dat uit art. 17.1 Wet REA blijkt dat voor toekenning van een plaatsingsbudget aan de werkgever van doorslaggevend belang is of deze met de arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking voor de duur van tenminste zes maanden aangaat. Nu de tekst van deze bepaling helder is en daartoe ook overigens geen doorslaggevend te achten aanknopingspunten bestaan ziet de Raad in het onderhavige geval geen aanleiding voor de door appellant voorgestane engere uitleg van deze bepaling. Op grond van art. 1, sub r, van de Wet REA dient gedaagde per 1 januari 2000 als werkgever van P te worden aangemerkt. Niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat X B.V. en gedaagde voor de toepassing van art. 17 van de Wet REA vereenzelvigd moeten worden. Naar ook uit het verhandelde in eerste aanleg en ter zitting in hoger beroep naar voren komt zijn beide vennootschappen niet alleen juridisch, maar ook feitelijk zelfstandige bedrijven. Het enkele feit dat ze alle twee dochterondernemingen van Y zijn, is in de gegeven situatie onvoldoende om beide bedrijven te vereenzelvigen. Ingevolge de in het eerste lid van art. 17 van de Wet REA neergelegde hoofdregel bestaat er op grond van de aangegane dienstbetrekking voor gedaagde een aanspraak op een plaatsingsbudget. Het vierde lid van art. 17 van de Wet REA bevat een uitzondering op deze hoofdregel. Nu aan gedaagde ten behoeve van P niet reeds eerder subsidies als bedoeld in het vierde lid van voormeld art. 17 zijn verstrekt, is niet voldaan aan de vereisten voor deze uitzondering. Appellant is derhalve uit hoofde van deze bepaling niet bevoegd gedaagde een plaatsingssubsidie (geheel of gedeeltelijk) te weigeren. Evenmin kan een weigeringsgrondslag worden gevonden in een of meer bepalingen van de Regeling, omdat deze eerst van toepassing kunnen zijn, indien er een weigeringsbevoegdheid op grond van het vierde lid van art. 17 van de Wet REA aanwezig is en dat is in casu niet het geval. Het beroep op een kennelijk onbedoeld gebruik, als neergelegd in art.6.5 Regeling kan dan ook geen doel treffen. Aangevallen uitspraak (gepubliceerd in url(''MS 2001, 43,'',../../../rondom_rechtspraak/justex/showdetail_homepage.asp?act_id=2310) url(''LJN: AB2694'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=?????) ) bevestigd. De Raad van bestuur van het UWV, appellant. mrs. M.I. ’t Hooft, G.M.T. Berkel-Kikkert, A.B.J. van der Ham

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen