CRvB 22 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF4022

Indien blijkt dat door rechter ingeschakelde deskundige zijn medisch oordeel niet serieus heeft heroverwogen naar aanleiding van een andersluidend oordeel van door partijen ingeschakelde deskundigen dan wel een gemotiveerd commentaar van de onderzochte, kan de rechter van het oordeel van deze deskundige afwijken. Appellants WAO-conform uitkering is ingaande 1 oktober 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Raad: Wat betreft de medische beoordeling in dit geding stelt de Raad voorop dat in zijn vaste jurisprudentie besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Naar het oordeel van de Raad geldt dit evenzeer indien geen sprake is van een serieuze heroverweging van het oordeel van de deskundige naar aanleiding van gemotiveerd commentaar van de zijde van de onderzochte op het oordeel van de deskundige. Dit laatste doet zich hier voor. Weliswaar volgt de Raad X in de door hem gestelde diagnose, welke in essentie niet afwijkt van die van Y en Z, en in zijn oordeel dat appellant geschikt is voor loonvormende arbeid voor halve dagen met inachtneming van beperkingen op het onderdeel 28 van het belastbaarheidspatroon, welke neerkomen op de aspecten A, B, D en E van dit onderdeel. De Raad stelt echter tevens vast dat, er van uitgaande dat aan appellant alleen de hiervoor bedoelde functies zijn voorgehouden, X ook na een uitdrukkelijke vraagstelling door de rechtbank in zijn rapport van 27 maart 1999, zoals ook de gemachtigde van appellant heeft opgemerkt, niet specifiek is ingegaan op de asterisken met betrekking tot het onderdeel 28 van de verwoording functiebelasting van deze drie functies voor zover die asterisken zien op de aspecten waarop X appellant nu juist beperkt heeft geacht. De Raad kan X dan ook niet volgen in zijn conclusie dat appellant, ondanks bedoelde asterisken, op de datum in geding geschikt was om deze functies te vervullen. Een afdoende verklaring voor die geschiktheid ontleent de Raad ook niet aan de nadere toelichting in het hiervoor reeds genoemde rapport van de medisch adviseur van gedaagde. Strijd met art. 7:12.1 Awb. Aangevallen uitspraak vernietigd. Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. mrs. K.J.S. Spaas, J.W. Schuttel, C.W.J. Schoor

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen