CRvB 3 december 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF1669

Feit dat aanvrager zich niet onderwerpt aan medisch onderzoek is niet een aan de aanvraag klevend gebrek in de zin van art. 4:5 Awb. Met toepassing van art. 4:5 Awb is besloten de aanvraag om AAW/WAO-uitkering van appellant niet te behandelen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellant in verband hiermee tweemaal is verzocht om te verschijnen voor een nader onderzoek, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven. Ingevolge art. 14 AAW en art. 23 WAO is een verzekerde gehouden medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek, indien gedaagde zulks nodig oordeelt. In het onderhavige geval is gedaagde aan de beoordeling van de toepassing van deze bepalingen niet toegekomen, nu op grond van het bepaalde in art. 4:5 Awb de aanvraag van appellant buiten verdere behandeling is gelaten. Naar het oordeel van de Raad geeft gedaagde aldus blijk van een onjuiste wetstoepassing. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (vide zijn uitspraak van url(''14 december 2000, JSV 01/113'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=ZB9073) ) geeft art. 4:5 Awb aan een bestuursorgaan de bevoegdheid een aanvraag niet in behandeling te nemen als deze onvolledig is of de gegevensverstrekking door de aanvrager onvoldoende is geweest. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ziet genoemd artikel op gebreken in de aanvraag die naar hun aard herstelbaar zijn. Naar het oordeel van de Raad is genoemde bepaling niet van toepassing in een geval als het onderhavige waarin aan de aanvraag geen gebreken kleven als hiervoor bedoeld, maar de aanvrager zich niet onderwerpt aan door gedaagde nodig geacht medisch onderzoek. De Raad wijst erop dat gedaagde in voorkomende gevallen met toepassing van art. 16 AAW en art. 25 WAO de mogelijkheid heeft gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat een verzekerde niet voor onderzoek(en) verschijnt. Bestreden besluit komt wegens strijd met art. 4:5 Awb voor vernietiging in aanmerking. De Raad van bestuur van het UWV, gedaagde. mrs. Ch. van Voorst, D.J. van der Vos, Ch.J.G. Olde Kalter

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen