CRvB 4 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF0912

Moment van inleveren openbaar vervoer studentenkaart (OV-kaart). Uitleg van art. 3.27 lid 2 WSF 2000. Gedaagde studeert vanaf 1 augustus 1999. Op 15 oktober 2000 is hem opnieuw, m.i.v. 1 januari 2001, een basisbeurs en een OV-kaart toegekend. In november 2000 heeft gedaagde deze OV-kaart afgehaald. Op 21 december 2000 heeft gedaagde zijn studie beëindigd en op 3 januari 2001 heeft hij zijn OV-kaart op het postkantoor ingeleverd. Appellante vordert van gedaagde een bedrag van fl. 150,- (€ 68,06), nu gedaagde de OV-kaart niet op 31 december 2000 heeft ingeleverd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Hij is van mening dat in casu het bepaalde in lid 2 van art. 3.27 (inhoudend dat de OV-kaart dient te worden ingeleverd uiterlijk op de dag dat geldig met de kaart gereisd kan worden) niet van toepassing is. Raad: Vooropgesteld dient te worden dat de strekking van lid van art. 3.27 WSF 2000 kennelijk is: te bereiken dat studenten die ten onrechte in het bezit zijn van een nog niet geldige openbaar vervoer studentenkaart, deze kaart inleveren vóór de dag waarop deze kaart geldig wordt. Mede gelet hierop, gaat de Raad ervan uit dat het tweede lid in het bijzonder ziet op situaties waarin op grond van een na de toekenningsbeslissing opgetreden omstandigheid met ingang van het toekenningstijdvak geen aanspraak op de openbaar vervoer studentenkaart (en overige studiefinanciering) meer bestaat. Indien het tweede lid slechts zou zien op situaties waarin reeds aanstonds ten onrechte een toekenning heeft plaatsgevonden, zou deze bepaling niet of nauwelijks betekenis toekomen. Naar het oordeel van de Raad bestaat voorts geen goede grond om in deze onderscheid te maken tussen gevallen waarin voor het eerst, of na onderbreking van de studie, studiefinanciering is toegekend en gevallen, zoals hier aan de orde, waarin bij herhaling, direct aansluitend aan eerdere studiefinanciering, studiefinanciering is toegekend. De wettekst noch de wetsgeschiedenis nopen tot een zodanig onderscheid. Hierbij merkt de Raad op dat in de door de rechtbank aangehaalde Nota van wijziging niet een limitatieve opsomming is gegeven van gevallen die door het tweede lid worden bestreken. Vernietiging aangevallen uitspraak. De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante. mrs. J. Janssen, J. Th. Wolleswinkel, F.P. Dresselhuys-Doeleman

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen