CRvB 1 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF0894
Bij beoordeling of betrokkene arbeidsgehandicapt is in de zin van de Wet REA kan niet worden volstaan met een louter medische beoordeling. Appellant is medegedeeld dat hij niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA kan worden aangemerkt, aangezien hij geen arbeidsgehandicapte van rechtswege is en uit de medisch-arbeidskundige beoordeling niet gebleken is dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt bij het verkrijgen of verrichten van arbeid. Gezien de strekking en ontstaansgeschiedenis van de Wet REA is de Raad van oordeel dat de wetgever met de in art. 2.3 Wet REA vermelde persoon ten aanzien van wie 'op grond van een medisch-arbeidsdeskundige beoordeling is vastgesteld dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid' mede voor ogen heeft gestaan een persoon die door de met zijn (ernstige) ziekteverleden verband houdende negatieve beeldvorming problemen ondervindt bij het vinden van werk, indien er een wellicht kleine, maar wel reële mogelijkheid is dat de betrokken persoon in de toekomst weer om reden van de eerder geconstateerde aandoening zal uitvallen. In de artt. 5 en 7 van het Arbeidsgehandicaptebesluit is bepaald aan welke vragen in het deskundigenadvies ten minste aandacht dient te worden besteed. Deze vragen zijn neergelegd in het beslisschema. Mede gelet op het vorenoverwogene leidt de Raad uit het gebruik van het begrip "ten minste" af, dat door de regelgever deze opsomming van vragen, en dus ook het beslisschema, niet onder alle omstandigheden uitputtend bedoeld is bij de medisch-arbeidsdeskundige beoordeling of een persoon in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid. Zou dit wel het geval zijn dan zou tekort worden gedaan aan een niet onbelangrijke categorie potentiële arbeidsgehandicapten, zoals - gelet op de ontstaansgeschiedenis van de Wet REA - zijn bedoeld in art. 2.3 van die wet, en ten aanzien van wie die wet evenzeer beoogt knelpunten bij de reïntegratie weg te nemen. In casu acht de Raad gezien de ernst van de ziekte en de recidive (hartinfarcten en hartoperatie) in een korte periode acht de Raad geenszins onaannemelijk dat een potentiële werkgever bang is dat betrokkene wederom met gezondheidsklachten zal uitvallen, temeer nu de behandelend cardioloog niet heeft kunnen aangeven dat er geen of een gering uitvalrisico is, en dat de werkgever op grond van het daarmee samenhangende financiële risico betrokkene niet wenst aan te nemen. Onder deze omstandigheden had gedaagde, mede gelet op de hiervoor vermelde bepalingen en strekking van de Wet REA en op het bepaalde in het eerste lid van de artt. 5 en 7 van het Besluit, niet mogen volstaan met een louter medische beoordeling of er sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen en of er sprake is van een aanzienlijk risico op ernstige gezondheidsklachten binnen vijf jaar. Gedaagde had in dit geval ook moeten onderzoeken of appellant op grond van zijn medische voorgeschiedenis belemmeringen ondervindt bij het verkrijgen van werk. Nu gedaagde dit laatste aspect niet heeft onderzocht concludeert de Raad dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. mrs. M.I. 't Hooft, R.M. van Male, G.M.T. Berkel-Kikkert
De uitspraak op rechtspraak.nl