CRvB 18 april 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3926
Beslissing tot weigering van (terug)betaling van ten onrechte teruggevorderde WSW-rijksvergoeding is een besluit. Gedaagde heeft ingevolge art. 40.1 WSW de aan appellant toegekende rijksvergoeding tot een lager bedrag herzien en in verband daarmee een bedrag ad f. 289.000,- teruggevorderd. Appellant heeft dit bedrag terugbetaald. In de hierover gevoerde beroepszaak heeft de rechtbank echter overwogen dat gedaagde niet bevoegd was dit bedrag terug te vorderen. Anders dan de rechtbank maar evenals appellant beantwoordt de Raad de vraag of verweerders beslissing tot afwijzing van appellants verzoek tot terugbetaling van het eerder teruggevorderde bedrag als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb moet worden beschouwd bevestigend. Ingevolge art. 40.1 WSW kent het Rijk jaarlijks aan een uitvoerder van die wet als appellant een vooraf door gedaagde vastgestelde vergoeding toe. Vóór 1 oktober van het jaar waarop die vergoeding betrekking heeft, dient gedaagde het bedrag van de vergoeding mee te delen, alsmede het voorlopig vastgestelde bedrag van de vergoeding voor het daaropvolgende jaar. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat de WSW geen uitdrukkelijke grondslag biedt voor de bevoegdheid van gedaagde beslissingen te geven over uitsluitend de betaling van het bedrag aan vergoeding dat ingevolge art. 40 van die wet is toegekend. Niettemin houdt een beslissing met betrekking tot een betaling als waarvan hier sprake is zo nauw verband met beslissingen terzake van aanspraken die hun grondslag vinden in art. 40 van de WSW dat de administratieve rechter, in casu de rechtbank, ook met betrekking tot een zodanige beslissing moet worden beschouwd als de meest aangewezen rechter om in de rechtsbescherming van justitiabelen te voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het uit een oogpunt van toegang tot de rechter aanbeveling verdient geschillen omtrent vergoedingen in het kader van art. 40 WSW en (de weigering van) de betaling ervan, bij de administratieve rechter geconcentreerd te houden. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde. mrs. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, T. Hoogenboom, J.H. van Kreveld
De uitspraak op rechtspraak.nl