CRvB 11 april 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3211
Mededeling opschorting diensten en ontzegging toegang werkplek aan ambtenaar op rechtsgevolg gericht. Na verschil van mening tussen appellante en gedaagde heeft appellante zich ziek gemeld. Gedaagde heeft haar vervolgens bij brief van 30 april 1998 medegedeeld dat haar diensten tot en met 5 mei 1998 worden opgeschort en dat appellante voorlopig (t/m 5 mei 1998) de toegang tot haar werkplek (brigade Kmar) wordt ontzegd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat er geen besluit aanwezig is in de zin van de Awb. De Raad is echter van oordeel dat de getroffen maatregelen het niveau van een regeling van de dagelijkse werkzaamheden of van een interne ordemaatregel die gedaagde in het kader van een normale bedrijfsuitvoering kan treffen overstijgen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de opschorting van appellantes diensten naar haar aard en uitwerking op één lijn is te stellen met een schorsing, terwijl de ontzegging van de toegang tot de brigade een in het verlengde van die schorsing liggende, verder gaande inbreuk betekent op appellantes positie van militair ambtenaar. De Raad is dan ook met appellante van oordeel dat de onderhavige maatregelen ertoe strekten in te grijpen in haar rechtspositie en derhalve op - extern - rechtsgevolg waren gericht. De Raad kan zich dan ook niet verenigen met het door gedaagde ingenomen en door de rechtbank onderschreven standpunt dat het primaire besluit geen besluit is in de zin van art. 1:3 Awb. Vernietiging bestreden besluit en aangevallen uitspraak. Voorts heeft de Raad geconstateerd dat de van toepassing zijnde voorschriften gedaagde geen bevoegdheid toekennen voor het treffen van rechtspositionele maatregelen zoals deze thans naar het oordeel van de Raad in geding zijn, hetgeen betekent dat het primaire besluit van 30 april 1998 evenmin in rechte stand kan houden. Dit besluit zal derhalve met toepassing van art. 8:72.4 Awb eveneens worden vernietigd. De Commandant Brigade Koninklijke Marechaussee X, gedaagde. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, M.M. van der Kade, R. Kooper
De uitspraak op rechtspraak.nl