CRvB 15 maart 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:ZF5434

Ingevolge gewijzigd BWOO is niet het College van Bestuur, maar de Minister van OCW bevoegd op het bezwaar te beslissen. Recht op uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) deels geëindigd. Bezwaar daartegen is door het College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Brabant (CvB) ongegrond verklaard. De Raad overweegt ambtshalve dat het CvB niet bevoegd was het bestreden besluit - op eigen naam - te nemen. Bij de invoering van het BWOO is in verband met het bepaalde in art. 1, tweede lid BWOO de uitvoering voor wat betreft bijzondere universiteiten aan de besturen van die instellingen opgedragen (Regeling van 23 april 1994, WO/PR-9401.2553, Uitleg O en W-regelingen 1994, nr. 12). Art. 1, tweede lid BWOO is bij besluit van 19 juni 1996 (Stb. 338) met ingang van 1 augustus 1996 ingetrokken, waardoor de uitvoeringstaak aan de colleges van bestuur van bijzondere universiteiten werd onttrokken. Bij gebreke aan overgangsrechtelijke bepalingen acht de Raad het aannemelijk dat de materiële wetgever beoogde om per 1 augustus 1996 de volledige uitvoering van het BWOO aan de Minister op te dragen, met inbegrip van de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar tegen een primair besluit dat in de periode van 1 maart 1994 tot en met 31 juli 1996 door een college van bestuur van een bijzondere universiteit was genomen. Derhalve was het CvB vanaf 1 augustus 1996 niet meer bevoegd op appellants bezwaar te beslissen, maar berustte de bevoegdheid daartoe sedertdien bij de Minister. Het bestreden besluit is niet onbevoegdelijk genomen, aangezien ervan uitgegaan moet worden dat het CvB is opgetreden krachtens een met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 door de Minister verleend algemeen mandaat. Bevestiging aangevallen uitspraak. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, A. Beuker-Tilstra, J.H. van Kreveld

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen