CRvB 5 oktober 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5247

Art. 6 EVRM brengt niet mee dat de bestuursrechter altijd een onafhankelijk medisch deskundige dient te benoemen voor het instellen van nader onderzoek. Beroep tegen intrekking van AAW-uitkering ongegrond verklaard. In de optiek van appellant is geen sprake van een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek indien het bestreden besluit voor wat betreft de medische grondslag uitsluitend berust op een door een arts in dienst van gedaagde verricht medisch onderzoek. De bestuursrechter dient volgens appellant gelet op de waarborgen van art. 6 EVRM in een dergelijk geval altijd een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen. Dienaangaande overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn verder niet gepubliceerde uitspraak van 4 mei 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274, dat het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of voor de beslechting van een medisch geschil kan worden volstaan met de rapportage van de verzekeringsartsen van gedaagde, al dan niet versterkt door het oordeel van de door dezen ingeschakelde externe deskundigen, of dat de rechter besluit tot het instellen van een nader onderzoek door een door hem aangewezen onafhankelijk medisch deskundige, maar dat het naar 's Raads oordeel te ver zou voeren om in het kader van art. 6 EVRM te stellen, dat bij achterwege blijven van laatstbedoeld onderzoek per definitie niet langer zou kunnen worden gesproken van een eerlijke behandeling van de desbetreffende zaak. De Raad merkt op dat betrokkene in de procedure voor de bestuursrechter alle gelegenheid wordt geboden zich gemotiveerd -desgewenst onderbouwd met medische gegevens- te verzetten tegen het medisch oordeel van de wederpartij, terwijl voorts niet valt in te zien dat deze partij zijn oordeel niet zou mogen baseren op de bevindingen van bij hem in dienst zijnde medische functionarissen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. mrs. J. Janssen, H. Bolt, J.Th. Wolleswinkel

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen