CRvB 26 april 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD3425
BZA biedt niet de ruimte om aanvraag ziekte-uitkering af te wijzen op de grond dat deze aanspraak het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding betrof. Appellante werkt met ingang van 1 augustus 1995 voor 22 uren en 47 minuten in vaste dienst in het openbaar onderwijs. Van 1 augustus 1995 tot en met 31 juli 1996 is haar taak tijdelijk met 8 uren en 42 minuten per week uitgebreid. Omdat appellante op 19 oktober 1995 arbeidsongeschikt is geworden en deze ongeschiktheid voortduurde na 31 juli 1996 heeft appellante per 1 augustus 1996 een ziekte-uitkering aangevraagd, welke door gedaagde op grond van art. 39.1 BZA is afgewezen. In bezwaar is het besluit gehandhaafd en het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Raad: Weliswaar is het juist dat in de bewoordingen van art. 39.1 (oud), BZA, niet uitdrukkelijk is neergelegd dat ook bij het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding aanspraak op ziekte-uitkering bestond, nu ingevolge de tekst van die bepaling slechts aanspraak op die uitkering bestond ingeval van ontslag of van het aflopen van een benoeming in tijdelijke dienst. Maar het was ontegenzeggelijk de bedoeling van art. 39.1 (oud), BZA, om de onder art. I-E19.1, Rpbo, gevormde vaste praktijk inzake die aanspraak na 31 december 1995 voort te zetten. Mitsdien is de Raad, anders dan de rechtbank Dordrecht (d.d. 4-12-1998, AWB 97/964-6, ECLI:NL:RBDOR:1998:AA4017) van oordeel dat de omstandigheid dat deze vaste praktijk niet uitdrukkelijk in art. 39.1 (oud), BZA, was verwoord, niet in de weg staat aan de conclusie dat in deze bepaling besloten lag dat ook bij het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding aanspraak op ziekte-uitkering kon worden gemaakt. De Raad kan gedaagde niet volgen in zijn betoog dat er in dit opzicht een wezenlijk verschil bestond tussen art. I-E19.1, Rpbo en art. 39, .1 (oud), BZA. Gedaagdes stelling dat de begripsomschrijving van ontslag in art. H1.1, aanhef en onder f, Rpbo, mede op art. I-E19.1, Rpbo, van toepassing was, vindt geen steun in het Rpbo. Blijkens de aanhef van art. I-H1.1, Rpbo, golden de in dat artikellid gegeven definities voor hoofdstuk I-H. De omstandigheid dat hoofdstuk I-H tot dezelfde regeling behoorde als hoofdstuk I-E, levert geen aanleiding op om die tot hoofdstuk I-H beperkte definities mede op hoofdstuk I-E van toepassing te achten. Derhalve moet worden geoordeeld dat art. I-E19.1, Rpbo, evenmin als art. 39.1 (oud), BZA, uitdrukkelijk voorzag in een aanspraak als thans in geding. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. mrs. J.C.F. Talman, M.M. van der Kade, J.H. van Kreveld Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-E19.1 Rpbo I-E19.1 Tijdelijk besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 39.1 BZA 39.1
De uitspraak op rechtspraak.nl