CRvB 19 juli 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB3124
Onderzoeks- en herbenoemingsverplichting in BZA strekt niet verder dan tot functies aan onderwijsinstellingen van het bevoegde gezag van de betreffende medewerker. Aan gedaagde die vanaf 12 januari 1994 ziekteverlof genoot, is met ingang van 1 november 1996 ontslag verleend onder verwijzing naar art. 20 BZA en hoofdstuk F van de CAO-VO. Tussen partijen is in geschil of appellant in voldoende mate heeft onderzocht of er bij het bevoegde gezag voor gedaagde reële herplaatsingsmogelijkheden waren, zoals voorgeschreven in art. 20.2, aanhef en onder c, BZA. Daarbij worden partijen met name verdeeld gehouden over de vraag of appellant het herplaatsingsonderzoek mocht beperken tot functies aan een gemeentelijke onderwijsinstelling dan wel dat appellant daarbij eveneens niet aan een onderwijsinstelling verbonden gemeentelijke functies - voorzover appellant daarvan als bevoegd gezag heeft te gelden -, in ogenschouw diende te nemen. De Raad concludeert dat het bij de invoering van het BZA kennelijk de bedoeling is geweest om de onderzoeks- en herbenoemingsverplichting niet verder te laten strekken dan tot functies aan onderwijsinstellingen van het bevoegde gezag van de betreffende medewerker. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de gelden waaruit het onderwijs wordt gefinancierd geheel gescheiden zijn van de gelden waaruit het gemeentelijk apparaat wordt bekostigd en dat het BZA tot stand is gekomen als een specifieke onderwijsregeling. Aangevallen uitspraak vernietigd. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, appellant. mr. H.A.A.G. Vermeulen, J.C.F. Talman, A. Beuker-Tilstra Tijdelijk besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 20.2.c BZA 20.2.c
De uitspraak op rechtspraak.nl