CRvB 17 mei 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB3045
Tussentijds wegens ongeschiktheid uit tijdelijke dienst wegens proeftijd ontslagen ambtenaar niet aangemerkt als betrokkene in de zin van art. 10:1.1 CAR/UWO. Gedaagde is ingaande 1 maart 1996 voor de duur van 12 maanden bij wijze van proef in tijdelijke dienst aangesteld. Ingaande 1 juli 1996 heeft appellant gedaagde onder toepassing van art. 8:6 jo. 8:11.1 (vernummerd tot 8:12.1) CAR/UWO ontslag verleend wegens functionele ongeschiktheid. Omdat gedaagde ontslagen is uit een tijdelijke aanstelling heeft appellant gedaagdes verzoek om wachtgeld afgewezen. Raad: Gedaagdes ontslag is gegrond is op art. 8:6 CAR/UWO. Gedaagde voldoet daarmee aan de omschrijving van ‘betrokkene’ in art. 10:1.1 aanhef en onder b, CAR/UWO. Bij dat gegeven rijst de vraag of appellant gedaagde desalniettemin een aanspraak op wachtgeld ingevolge hoofdstuk 10 van de CAR/UWO kan ontzeggen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Ingevolge de vóór de invoering van de CAR en de UWO door de Vereniging Nederlandse Gemeenten opgestelde modelregelingen (AAR), ontstond er bij een tussentijds ontslag uit een proeftijdaanstelling voor bepaalde tijd geen aanspraak op wachtgeld. Uit de brochure van de Stichting A+O fonds Gemeenten van januari 1995, genaamd Invoering van CAR en UWO, blijkt dat de CAR en de UWO - behoudens hier niet relevante aspecten - beoogden een codificatie te behelzen van voornoemde modelregelingen, de één op één vertaling van het AAR, en dat de in de CAR en de UWO opgenomen marginale wijzigingen als moderniseringen werden aangemerkt. Om die reden was er ook geen overgangsrecht nodig en kon de invoering van de CAR en de UWO kostenneutraal plaatsvinden. Voor de Raad staat hiermee voldoende vast dat bij de invoering van de CAR/UWO niet is beoogd om degene die met toepassing van art. 8:12:1 jo. art. 8:6 wordt ontslagen onder de werking van hfdst. 10, maar uitsluitend onder de werking van hfdst. 11 te brengen. De Raad wijst er in dit verband op dat de ambtenaar die in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld en die met toepassing van art. 8:12 CAR/UWO van rechtswege wordt ontslagen bij het verstrijken van de tijd waarvoor hij is aangesteld, niet valt aan te merken als een ‘betrokkene’ in de zin van hfdst. 10 CAR/UWO. Naar het oordeel van de Raad ontbreekt iedere redelijke grond om aan een tussentijds ontslag van een zodanige ambtenaar een gunstiger uitkeringsregiem te verbinden dan waarop de ambtenaar aanspraak zou hebben gekregen indien zijn aanstelling zou zijn doorgelopen tot de einddatum van de aanstelling. Het vorenstaande betekent dat er naar het oordeel van de Raad sprake is van een misslag van de regelgever. De Raad komt, gezien het vorenstaande, op wetshistorische en redelijkheidsgronden en op grond van de bedoeling van de regelgever tot de slotsom dat een redelijke interpretatie van de CAR/UWO meebrengt dat een tussentijds wegens ongeschiktheid uit tijdelijke dienst wegens proeftijd ontslagen ambtenaar zoals gedaagde niet als ‘betrokkene’ in de zin van art. 10:1.1 CAR/UWO dient te worden aangemerkt. De Raad voegt hieraan toe dat gedaagde, zoals ook door appellant is aangegeven, wel een ‘betrokkene’ is in de zin van art. 11:1.1 aanhef en onder b, van de CAR/UWO. In de omstandigheid dat het hoofd van de Afdeling Arbeidszaken van de Vereniging Nederlandse Gemeenten in 1996 onderkend heeft dat in een situatie als van gedaagde de letterlijke tekst van art. 10:1 CAR/UWO ook een aanspraak op wachtgeld zou geven en dat nadien in deze bepaling geen wijziging tot stand is gebracht, kan de Raad geen doorslaggevende reden vinden om tot een andere uitkomst te geraken. Aangevallen uitspraak vernietigd; inleidend beroep alsnog ongegrond. Dagelijks bestuur van het Werkvoorzieningschap X te Y, appellant; mrs. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, M.M. van der Kade, A. Beuker-Tilstra
De uitspraak op rechtspraak.nl