CRvB 5 april 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB2258

De Raad acht de uitleg van het in art. 11.1 Verplaatsingskostenregeling gehanteerde begrip "kosten van het openbaar vervoer naar de laagste klasse" als "kosten van openbaar vervoer naar de laagste klasse volgens de gebruikelijke reisroute" niet onaanvaardbaar. Aan eiser, destijds wonende te X, is medegedeeld dat hem ingaande 1 januari 1999 geen forensenvergoeding meer wordt verstrekt omdat het bedrag van die vergoeding lager is dan het voor uitbetaling in aanmerking komende bedrag van fl. 5,-. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eiser voor het woon-werkverkeer gebruik kan maken van een busverbinding die goedkoper is dan de verbinding per trein en metro. Raad: Vast staat dat de afstand tussen de destijds door eiser bewoonde woning en de plaats van tewerkstelling meer dan tien kilometer bedraagt, zodat hij in beginsel voor forensenvergoeding in aanmerking kwam. Vast staat voorts dat de afstand tussen de woning waar eiser destijds woonde en de plaats van tewerkstelling op verschillende wijzen met gebruikmaking van openbaar vervoer kan worden overbrugd, te weten door reizen per bus dan wel trein van [X.] naar Rotterdam Centraal en vandaar per metro. Tegen die achtergrond is aan de orde de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan het in art. 11.1 van de Verplaatsingskostenregeling gehanteerde begrip "kosten van het openbaar vervoer naar de laagste klasse." Met betrekking daartoe heeft de rechtbank Rotterdam in haar door eiser genoemde uitspraak overwogen dat noch de tekst van art. 11.1 Verplaatsingskostenregeling noch de toelichting hierbij of de nota van toelichting bij het Verplaatsingskostenbesluit, enig aanknopingspunt bieden voor het standpunt dat daaronder dient te worden verstaan de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. Veeleer, aldus de Rb., ligt het in de rede deze bepaling zo uit te leggen dat daaronder wordt verstaan de kosten van openbaar vervoer naar de laagste klasse volgens de gebruikelijke reisroute. De Raad acht het aldus geformuleerde, in een met het onderhavige geval enigermate te vergelijken aangelegenheid gegeven, criterium niet onaanvaardbaar. Hij constateert verder dat blijkens het bestreden besluit ook verweerder genegen is dit criterium als uitgangspunt te nemen, en in dit verband beoordelingsaspecten als doelmatigheid, reistijd en reisgemak heeft genoemd, doch dit criterium uitsluitend wenst toe te passen in die gevallen waarin met bewijsmiddelen wordt aangetoond dat die reisroute ook daadwerkelijk wordt benut. De Raad kan verweerder hierin niet volgen. Naar zijn oordeel dient bij beantwoording van de vraag welke reisroute als de gebruikelijke kan worden aangemerkt buiten beschouwing te blijven op welke wijze de ambtenaar feitelijk naar en van zijn plaats van tewerkstelling reist. Het bestreden besluit bevat, mede doordat daarin rechtstreeks is aangesloten bij de hiervoor vermelde „Regeling forensenvergoeding", geen overwegingen waaruit kan worden afgeleid dat ingaande 1 januari 1999 de reisroute per bus en metro als de gebruikelijke reisroute voor ambtenaren woonachtig in [X.] moest worden beschouwd, noch overwegingen waaruit blijkt dat in dit opzicht de situatie na 1 januari 1999 verschilt van die van vóór die datum. Besluit onvoldoende gemotiveerd; bestreden besluit vernietigd. Verweerder dient nieuw besluit te nemen. Minister van Justitie, verweerder. mrs. W. van den Brink, K. Zeilemaker, prof. mr. F.A.M. Stroink Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 16 Verplaatsingskostenbesluit 1989 12.2 Verplaatsingskostenregeling 1989 11.1

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen