CRvB 10 mei 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1775

Bij toepassing van Dagloonregels BWOO, waarbij wordt uitgegaan van het historisch dagloon, wordt geen aansluiting gezocht bij de jurisprudentie en uitvoeringspraktijk bij vaststelling van WW-dagloon op grond van art. 34 IWS. Toekenning van BWOO-uitkering met ingang van 1 augustus 1995 naar een dagloon van fl. 65,18 incl. vakantietoeslag. Appellante is van oordeel dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodieke verhoging van haar salaris per 1 augustus 1995. Raad: Appellante wenst voor de uitleg van de dagloonregels BWOO geheel aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk van de voormalige bedrijfsverenigingen (thans uitvoeringsinstellingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen) bij de uitvoering van de dagloonregels die voor de toepassing van de WW gelden op grond van art. 34 van de dagloonregels IWS. De Raad kan dat standpunt niet onderschrijven. Uit de nota van toelichting bij art. 27 . BWOO blijkt dat de regelgever voor de dagloonvaststelling voor het BWOO heeft gekozen voor een dagloonvaststelling op basis van het historisch dagloon, dat wil zeggen voor de sedert 1987 voor de WW beoogde, maar tot dusver nog niet gerealiseerde, systematiek zoals is vastgelegd in art. 45 WW. De regelgever heeft aldus willen afwijken van de tot dusverre voor werknemers o.g.v. art. 34 IWS geldende systematiek. Volgens art. 45 WW wordt als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de regel in de periode van 26 weken voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid gemiddeld per dag in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, verdiende, voorzover dat loon in de bedrijfstak gebruikelijk, vast, gegarandeerd en regelmatig verstrekt is, of inherent is aan de functie. Ingevolge art. 34 IWS wordt (vooralsnog) als dagloon beschouwd hetgeen de werknemer tijdens het ontvangen van de uitkering gemiddeld per dag zou hebben kunnen verdienen in het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende. Gelet op het hiervoor weergegeven oogmerk bij de vaststelling van de dagloonregels BWOO ligt naar het oordeel van de Raad de door appellante voorgestane volledige aansluiting bij de jurisprudentie en thans geldende uitvoeringspraktijk bij de vaststelling van het WW-dagloon met toepassing van art. 34 van de IWS niet voor de hand. Hoger beroep van uitspraak rechtbank Middelburg d.d. 29 januari 1997, Awb 96/442, ECLI:NL:RBMID:1997:ZF0238. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. mrs. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, A. Beuker-Tilstra, J.H. van Kreveld

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen