CRvB 8 maart 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0937

Beoordeling van resultaten van de cursus Stafdienst vertoont sterke overeenkomsten met beoordeling van het functioneren van een ambtenaar en kan niet worden aangemerkt als beoordeling van het kennen of kunnen. Administratief beroep tegen besluit dat eiser was gezakt voor de cursus Stafdienst (STD) ongegrond verklaard. Op het formulier van appellant is de waardering ONV (onvoldoende) gegeven voor de trajectaspecten kennis en inzicht, analytische vaardigheid en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid en voor het persoonlijkheidsaspect intellectuele effectiviteit. Tevens is op dit formulier vermeld dat geen aanbeveling voor het volgen van de Hogere Militaire Vorming (HMV) werd gedaan. Bij het - bij het bestreden besluit gehandhaafde - besluit van 2 oktober 1995 is geweigerd deze negatieve waardering te herzien. De Raad is van opvatting dat deze waardering naar haar aard voor het merendeel - te weten voor wat betreft de trajectaspecten en de persoonlijkheids- en karaktereigenschappen - een sterke overeenkomst vertoont met de beoordeling van het functioneren van een ambtenaar, mede in aanmerking genomen dat de opleiding STD is ingebed in het door gedaagde gevoerde loopbaanbeleid en dat het niet voltooien van die opleiding als direct gevolg heeft dat een aantal functies niet aan de betrokken militaire ambtenaar kan worden toegewezen. Het ligt daarom in de rede een besluit tot vaststelling of handhaving van een waardering als de onderhavige niet onder art. 8:4, aanhef en onder e Awb begrepen te achten. In de omstandigheid dat de in geding zijnde waardering mede betrekking heeft op de puntenscores voor de afgelegde toetsen, ziet de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor dat onderdeel wel onder art. 8:4, aanhef en onder e Awb, begrepen te achten, nu alle onderdelen van de waardering zo nauw samenhangen dat het niet in de rede ligt het bestreden besluit voor de (mogelijkheid van) rechterlijke toetsing te splitsen in een toetsbaar en een niet toetsbaar deel. Het beroep tegen het bestreden besluit was inderdaad ontvankelijk, nu ook niet is gebleken van andere omstandigheden die tot niet-ontvankelijkverklaring hadden dienen te leiden. Toch kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven reeds omdat uit de MAW noch de Awb voortvloeit dat de beperkingen die in de artikelen 8:2 tot en met 8:6 Awb aan het recht van beroep bij de rechtbank zijn gesteld, ook voor het bij art. 2 MAW toegekende recht van administratief beroep gelden. Dat die beperkingen wel gelden voor de mogelijkheid van bezwaar, voorzover deze mogelijkheid op art. 7:1, eerste lid, aanhef Awb berust, kan niet tot een ander oordeel leiden. Immers uit de bewoordingen en opzet van laatstbedoelde bepaling vloeit onmiskenbaar voort dat (voorafgaand) bezwaar verplicht en op grond van die bepaling slechts mogelijk is in gevallen waarin het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen. Aan een dergelijke begrenzing is het recht van administratief beroep (of een bij een bijzondere regeling toegekend recht van bezwaar) slechts onderworpen als zulks voortvloeit uit de regeling waarbij dat recht van administratief beroep (of bezwaar) is toegekend. In de MAW ligt niet een dergelijke begrenzing besloten. De Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, M.M. van der Kade, J.H. van Kreveld

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen